Op 9 december 2025, ’s avonds in de metro op weg naar huis van een bijeenkomst in het Rotterdamse Verhalenhuis, kwam ik toe aan het tweede boekje van Rob Kusters ‘Gefeliciteerd, je zit in de OR’. Het lag al een tijdje op de ‘te-lezen-stapel’. Door zijn handzame formaat paste het in mijn jaszak. Het leest gemakkelijk weg.

Dit boekje is een spiegelbeeld van zijn eerste boekje, gericht op bestuurders, ‘Gefeliciteerd, je hebt een OR!’. Ik verwacht eigenlijk dat er nog een derde boekje komt ‘Gefeliciteerd, je bent nu OR-adviseur’. Misschien zelfs nog een vierde ‘Gefeliciteerd, je bent nu ambtelijk secretaris’. Het gezicht van Rob, toen ik dat voorstelde, beloofde dat nog niet.
Zoals de titels al verraden zijn de boekjes gericht op lezers die net bestuurder of OR-lid zijn. Toch kan lezing ook voor meer ervaren mensen nuttig zijn. Zeker als ze het gevoel hebben in een bepaalde stijl van optreden vast te lopen.
Het is met veel zorg geredigeerd. Rob kiest voor een gespreksvorm, hij spreekt de lezer direct aan en neemt de lezer zo mee in zijn redenering. Het gevoel dat ik wel te veel aan de hand werd meegenomen, zegt dus vooral iets over mezelf.
Wat ik ieder geval mooi vindt, is dat schrijfstijl in lijn is met de boodschap. Rob gaat het gesprek aan, zonder vooroordelen, niet vanuit ideologische schietgaten en zeker niet als betweterige deskundige.
Rob is al een tijdje directeur van Adviesbureau Atim. Zijn benadering past in de eigenzinnige traditie van ATIM (zoals het toen geschreven werd) sinds de oprichting in 1979. Onder de vier directeuren – Rob is de vierde, ik was de tweede – kreeg dat steeds op een eigen manier vorm en inhoud kreeg. Atim speelde altijd graag het buitenbeentje in het medezeggenschapswereldje. Wars van de clichématige benadering van veel medezeggenschapsprofessionals waarin ‘zwakke’ ondernemingsraden moeten optornen tegen het geweld van machtige bestuurders. Dat beeld rechtvaardigt natuurlijk het tegen betaling ontvangen van hulp door diezelfde medezeggenschapsprofessionals. In de Atim-benadering is het geloof in de kracht van mensen, van ondernemingsraadsleden, de basislijn.
Over onze vriendschap
Maar voordat ik op het boekje inga, eerst een uitstapje naar het ontstaan en de ontwikkeling van onze vriendschappelijke relatie. In 1998 koos ik ervoor om (toen nog) ATIM te verlaten en als zelfstandige verder te gaan. Voor die keuze waren meer redenen. (Zie ook Zelfstandig 1999 – 2018 – Jaap de Jong). We werden het onderling niet eens over de te volgen strategie en ik kwam te weinig toe aan andere activiteiten die mij interesseerden. Maar daar door heen speelde ook de behoorlijke sleet op de persoonlijke verhoudingen. Mijn eigen karakter had daar zeker aan bijgedragen. Het karakter van mijn opvolger, die leiding gaf aan de oppositie, net zo goed. In de loop van de volgende jaren verlieten de overgebleven medewerkers Atim op weinig harmonieuze wijze.
De verwerking van zo’n afscheid heeft trekken van een rouwproces. Als dat goed verloopt, kan er, na fases van ontkenning, boosheid, berusting en zoeken naar nieuwe kansen, ook wederzijdse acceptatie ontstaan. Dat stadium heb ik samen met die opvolger weer weten te vinden. Wij hadden later regelmatige eetafspraken en ik werd ook ingeschakeld bij bijzondere klusjes en projecten.
Zo mocht ik de eerste selectie doen in een sollicitatieprocedure op zoek naar nieuwe adviseurs. Daarin ontmoette ik Rob als een van de kandidaten. Wij hadden snel een klik door een wederzijdse herkenning van humor en relativerings- vermogen. In de tweede rond viel Rob bij het team ook in goede aarde.
Dat was het begin van een regelmatig contact, meestal achter twee borden, waarin we van alles bespraken, maar het vooral hadden over ons vak en de (gewenste) ontwikkeling van de medezeggenschap. We waren, en zijn het, lang niet altijd eens en waren soms ook zo overtuigd van ons eigen gelijk dat we wat langs elkaar heen zaten te praten.
Voorafgaand aan zo’n gesprek had ik gereageerd op het eerste boekje, gericht op WOR-bestuurders. Daarin gaf ik weer eens aan dat ik de medezeggenschap steeds meer benaderde als een (noodzakelijk) onderdeel van goed bestuur. In juridische zin vind ik dus dat medezeggenschap geregeld zou moeten zijn in het ondernemingsrecht in het Burgerlijk Wetboek in plaats van in een afzonderlijke wet, en uit de sfeer van het sociale arbeidsrecht getrokken zou moeten worden. Want daarin staat het compenseren van ongelijke structurele verhoudingen centraal. Door zulke wetgeving en gerechtelijke uitspraken kunnen de regels van behoorlijk ondernemingsbestuur verder ingevuld worden. Voor mij is en uitgangspunt dat er alleen sprake kan zijn van behoorlijk bestuur door inhoudelijke betrokkenheid van medewerkers(-vertegenwoordigers).
Voor de actieve medezeggenschappers kan dit pleidooi hoogstens een aantrekkelijk visioen in de toekomst zijn. Maar dit bredere perspectief geeft wel aan dat er meer aandacht moet worden gegeven aan de rol van andere betrokkenen (stakeholders in het vakjargon). Medezeggenschap moet dus niet benaderd worden vanuit de bestaande medezeggenschapsregels maar vanuit een bredere context. Rob wijst ondernemingsraadsleden een aantal keren op die bredere samenhang.
Maar het startpunt van onze redeneringen blijft verschillend.
Terug naar het boek. Rob schetst vier voorkeurstijlen die door ondernemingsraden worden gehanteerd. In de vakliteratuur bestaan meer beschrijvingen van verschillende ‘soorten’ ondernemingsraden. Een overzicht daarvan en de ontwikkelingen daarin is hier een te lange uitweiding. Methodisch zijn die modellen meestal gebaseerd op de combinatie van twee variabelen en komen dan uit op vier soorten of kwadranten. Meestal is één daarvan de ‘slapende’ ondernemingsraad die niet of weinig actief gebruik maakt van de mogelijkheden.
Rob kiest niet voor een modelmatige aanpak, maar voor een empirische benadering, dus op basis van ervaringen. Hij kiest noch oordeelt tussen en over die stijlen. Iedere vorm heeft zijn eigen voor- en nadelen. In mijn eigen woorden zijn die stijlen de ondernemingsraad belangenbehartiger, bewaker van processen en vooral procedures, deskundige of een verzameling van individuele stijlen.
En dan komt het tweede kenmerk van zijn benadering, pragmatisme. Hij schetst een alternatieve stijl ‘praktijkspraak’. Een stijl die volgens hem gemakkelijk en voor iedereen uitvoerbaar is en de beste kansen biedt voor vruchtbaar en prettig overleg met de bestuurder.
Die term ‘praktijkspraak’ roept bij mij wat rillingen in de nek op, omdat ik het associeer met ‘newspeak’. Als begrip door George Orwell gemunt in 1984. Maar ondertussen ook wel, negatief, gebruikt voor de managementspeak die opstijgt uit spreadsheets.
In een notendop komt die praktijkspraak erop neer dat de OR kennis heeft van de zorgen en wensen die op de werkvloer leven, zodat de daaronder liggende gevoelens goed aan de overlegtafel verwoord kunnen worden. De OR is de stem van de medewerkers. Vervolgens bewaakt de OR dat er passend met die wensen en zorgen wordt omgegaan. En als dat niet kan, is de OR benieuwd naar een goede verklaring. Daar volgen vijf uitgangspunten uit:
- Wees de expert van de werkvloer
- Blijf in je rol
- Benut de kracht van ‘samen’
- Houd oog voor het bredere perspectief
- Wees nieuwsgierig.
Zoals gezegd een pragmatische keuze, In principe waardenvrij of, wat positiever klinkend, waardenneutraal. En dus minder normatief dan andere ideaalbeelden. Een bekend voorbeeld daarvan is het pleidooi voor een professionele ondernemingsraad uit de jaren negentig van de vorige eeuw.
Het aantrekkelijke van de pragmatische aanpak waarvoor Rob kiest, is dat het de ondernemingsraadsleden ontlast van het opkijken naar een hoge berg van verwachtingen en inspanningen. Met een open geest en op basis van gezond verstand valt er veel te bereiken.
Toch, als ik er nog een keer over nadenk, val ik terug op mijn pleidooi voor de communicatieve OR als strategisch type. Dat type zette ik rond de eeuwwisseling af tegen twee andere strategische types: de toetsende/controlerende OR en de professionele OR. Die communicatieve OR heeft, weliswaar anders geformuleerd, veel gemeenschappelijke trekken met de praktijkspraak van Rob. Het verschil zit er vooral in – en daarin was ik dus normatiever – dat de OR een eigen visie moet ontwikkelen op de blokkades voor een goed functioneren van de onderneming. En het overleg moet richten op het met de bestuurder bereiken van een gedeelde actiebasis om die blokkades aan te pakken. Ik verwachtte dat de OR een eigen agenda had op basis van gedegen diagnoses en een objectieve benadering van de feiten.
Dus inspireerde Rob met zijn boek mij tot een herdenken van mijn standpunten. De waarde van dit boekje voor OR-leden kan zijn dat minder tegen die grote berg van taken en verantwoordelijkheden hoeven aan te kijken en gewoon aan de slag kunnen gaan.

