Mijn herlezing van dit veertig jaar oude werkstuk leidde tot een diepe zucht. Tegelijk is het een tijdsbeeld van hoe binnen linkse politieke en politicologische kringen in de jaren tachtig werd gediscussieerd: theoretisch, abstract en ingewikkeld. Wij deden daaraan mee.
Wij, drie Hagenaars, aktief in Links Den Haag, een vroege samenwerking van CPN, PPR en PSP, namen deel aan een collegereeks over de actuele ontwikkelingen in de sociaaldemocratie.
Binnen PvdA en FNV pleitten mensen, vaak met een wetenschappelijke achtergrond, voor een nieuwe strategie. Volgens hen was de koers uit de jaren zeventig dringend aan herziening toe.
Voor het college moesten we discussiestellingen formuleren. Onze centrale stelling geeft een indruk van de toon en inzet:
“De pleidooien van Kalma (De Illusie enz.); Kalma en Krop (voor herverdeling van arbeid en klasse(n)compromis) en van Vos (voor herstel van de marktsector) (…) en Visser (meedragen verantwoordelijkheid voor industriebeleid) zijn een bijdrage aan het ontstaan van een nieuw corporatistisch stelsel dat, aansluitend op ontwikkelingen in de arbeidsmarkt (functie–polarisatie en marginalisering van bepaalde groepen enz.) bestaat uit een compromis van een arbeiderselite met werkgevers, onder relatieve terugtreding van de staat, ten koste van alle andere groepen die geen directe economische machtspositie meer hebben.”
Hoewel bedoeld om discussie los te maken had de stelling wel een serieuze ondertoon.
Jack en ik pakten de strijdbijl later opnieuw op. In een ‘werkstukje’ probeerden wij onze stelling zelf te toetsen. Aan de hand van het net verschenen artikel van Kalma en Krop. In vergelijkbare taal en toonzetting. Wij constateerden, zoals we al eerder vonden, dat de sociaaldemocratie de kapitalistische productieverhoudingen als uitgangspunt accepteerde. Dat uitgangspunt werd oorspronkelijk verbonden met het utopische beeld van de uiteindelijke overwinning van het socialisme: een maatschappij van vrijheid, gelijkheid en solidariteit. Compromissen werden gezien als een noodzakelijk kwaad en als tussenstap.
Na de Tweede Wereldoorlog kwam daarvoor een ideologie van samen-de-schouders-eronder. Maar in die naoorlogse jaren werd het compromis nog steeds gezien als middel en niet als doel. Die samenwerkingsideologie werd vanaf de jaren zestig sterk bekritiseerd. Tegen die radicalisering zetten de genoemde vernieuwers zich nu af.
Wij constateerden dat in de door hen bepleite vernieuwing het compromis verschoof van middel tot doel. Het pleidooi werd bovendien zo defensief geformuleerd dat het zich niet meer richtte op maatschappelijke verandering. Het streven naar nieuwe zeggenschapsverhoudingen en verdergaande democratisering van bedrijven maakten er geen deel meer vanuit.
Zo zagen wij een discrepantie ontstaan tussen die koers en het sociale imago van PvdA en FNV, waarin zij juist bij uitstek opkwamen voor ‘eerlijk delen’ en het beschermen van zwakkeren en lagere inkomensgroepen.
In onze laatste zin leggen we de relatie naar onze titel: “Binnenkort is Joop den Uyl de laatste die dat sociale gezicht van de PvdA nog consequent uitdraagt”.
En dat zeiden wij, binnen de PPR bekend als criticasters van het Kabinet-Den Uyl, met enige ironie.
Jong, Jaap de & Verduyn Lunel, Jack (1984, mei). Hoe lang nog, Joop? [Werkstuk in het kader Collegereeks Sociaaldemocratie doctoraalstudieprogramma politicologie]




